Tuesday, November 12, 2013

Dag, Bloem


Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.

uit: J.C. Bloem, De Gelatene


IMG_3586

Ik zit in de grote bruine leren stoel voor mijn tweewekelijkse psychische onderhoudsbeurt. Zo'n 10 jaar geleden kwam ik hier voor het eerst. Soms hoefde ik jarenlang niet aan te bellen, maar als het universum me weer eens met iets (voor mij) onbegrijpelijks om de oren sloeg, was deze plek er altijd.
De man tegenover me is een beetje ouder geworden en een beetje dikker. Net als ik. De leren fauteuils zijn een keer vervangen (en het was hoogste tijd, je zakte er steeds verder en dieper in weg, niet echt ideaal voor mensen die het leven even niet meer zo zien zitten). Maar verder veranderde er weinig. Dezelfde boeken staan nog steeds een beetje scheef in de boekenkast, het espresso apparaat ziet eruit alsof het nooit gebruikt wordt.

Het meest rustgevend onveranderlijke is het uitzicht. Vanuit de ramen van het oude grachtenpand kijk je uit op een binnentuin, of eigenlijk niet op de tuin maar op de huizen en daken aan de andere kant van de binnentuin. Ik kijk veel naar buiten, als ik in de bruine leren stoel zit en over mezelf praat, omdat het nu eenmaal heel moeilijk is om continu iemand aan te kijken als je diep in jezelf graaft naar lang vergeten gevoelens.

Er is een klein dakterras te zien, waar nooit iemand op zit. Een trappenhuis, rommelige gevels, kozijnen die wel een likje verf kunnen gebruiken. Een muur met van die ijzeren beslagen erop waarvan ik niet weet hoe ze heten, maar die bedoeld zijn (denk ik) om verzakkingen te voorkomen.

De man in de leren stoel tegenover me heeft het net als ik niet snel koud, en vaak staat het raam dus open, al vraagt hij altijd even of ik daar geen last van heb.

Vandaag leiden de poederblauwe najaarslucht en de goudkleurige bomen in de binnentuin me af. Ik staar naar buiten terwijl ik de koele ochtendlucht de kamer in voel stromen.

Waar denk je aan, vraagt de man tegenover me, als ik even niets heb gezegd.

"Aan het herfstgedicht van Bloem, je weet wel", zeg ik.
"Nee?"
En daar borrelt het op, lang geleden uit mijn hoofd geleerd. De woorden van Bloem vullen de ruimte die zo vaak gevuld wordt met tranen en moeilijke verhalen en wanhoop. 'Het onuitsprekelijke, het van weleer'.

Het was een mooi moment.

No comments:

Post a Comment